Ik rem voor dieren

januari 1996

Mag men een hond of een kat zomaar overrijden? Moet men dieren ontwijken?

Over het aanrijden van en het remmen voor dieren op de weg doen de meest fantastische verhalen de ronde. Ze worden met de ellebogen op de cafétoog onder automobilisten doorverteld, aangedikt of verminkt. Voor een kat moet je remmen, maar een overlopende hond mag je doodrijden. Of omgekeerd. Voor een overlopend dier mag je nooit remmen. Je moet het desnoods doodrijden. Als je remt ben je verantwoordelijk voor een ongeval dat daarop volgt. Je kunt, voor dezelfde prijs en aan dezelfde toog, net het omgekeerde als evangelie horen verkondigen. Hoe zit dat nu juist? 

Onderscheid

Voor het beantwoorden van deze vraag moet men op de eerste plaats voor ogen houden dat het verkeersreglement eist dat elke bestuurder in alle omstandigheden moet kunnen stoppen voor een hindernis die te voorzien is. Een hindernis die niet te voorzien is, kan omschreven worden als de vaste of bewegende belemmering (mens, voertuig, dier, voorwerp) die zo plots, zo onverwacht en zo dichtbij opduikt dat de normaal aandachtige weggebruiker ze niet tijdig kan zien, ze ook niet tijdig kan voorzien en dat hij, als normaal handige weggebruiker, de hindernis niet meer kan vermijden door te stoppen, te vertragen of uit te wijken zonder gevaar voor zichzelf of voor derden. Daarbij geldt in de rechtspraak als principe dat het noodmaneuver, dat ten aanzien van een onvoorziene hindernis werd uitgevoerd, de aansprakelijkheid van de bestuurder niet tot gevolg heeft indien dit noodmaneuver mislukt of achteraf niet de beste keuze blijkt geweest te zijn.

Principe

Een autobestuurder heeft noch wettelijk, noch moreel het recht vrijwillig een dier dat op de rijbaan rondzwerft te doden, wanneer die hindernis van ver reeds zichtbaar was en kon worden vermeden, zonder gevaar voor de bestuurder of voor derden. Indien het dier op enige afstand op de rijbaan loopt of er neerligt en indien de bestuurder de tijd heeft om progressief te remmen zonder een eventuele volger te verrassen, dan moet hij het dier vermijden. 

Onvoorziene hindernis

Wanneer een dier, groot of klein, kort en totaal onverwacht voor een automobilist opduikt, is het duidelijk dat hij te maken heeft met een onvoorziene hindernis. De bestuurder kan in dat geval niet verweten worden dat hij het dier aanrijdt en zelfs doodrijdt. De schade die het gevolg is van dergelijke aanrijding - en bij de aanrijding van een groot dier kan het gaan om een aanzienlijke schade - zal moeten vergoed worden door de bewaker van het dier, voor zover die kan gevonden en aangeduid worden. Indien er geen eigenaar of bewaker van het dier is, zoals dat het geval is voor wild, dan kan er uiteraard geen vergoeding van een aansprakelijke bewaker geëist worden. Men kan dan ook geen beroep doen op het Motorwaarborgfonds, aangezien dit alleen als opdracht heeft de schade te vergoeden die in bepaalde gevallen door een motorrijtuig veroorzaakt is. Een dier kan moeilijk met een motorrijtuig worden gelijkgesteld. In dat laatste geval zal de schade ten laste blijven van de schadelijder zelf.

Tegenover werkelijk onvoorziene hindernissen is het niet uitgesloten dat een normaal aandachtige en handige bestuurder, die zich als een goede huisvader gedraagt, toch een schrikreactie heeft, een schrikreactie die kan bestaan uit hevig remmen, brutaal zwenken, gas geven, enz. Zulke schrikreacties tegenover onvoorziene hindernissen behoren tot het normale gedragspatroon van een goede familievader. Vermits hij zich door het verschijnen van de hindernis, die niet te voorzien was, voor een geval van overmacht bevond, kan men die bestuurder ook niet verwijten dat hij inbreuk zou gepleegd hebben op het voorschrift dat hem verbiedt plots te remmen, behalve wanneer dit om veiligheidsredenen noodzakelijk is. Dit geldt ook wanneer die onvoorziene hindernis een klein dier, een hond, een kat of een fazant is. We hebben hier te doen met wat wij een noodmaneuver hebben genoemd; een noodmaneuver dat, indien het mislukt of niet het beste blijkt te zijn, niet ten laste kan gelegd worden van de bestuurder die geconfronteerd werd met een onvoorziene hindernis.

Voorzienbare hindernis

Dieren, grote en kleine, kunnen plots op de weg verschijnen zonder dat zij daarom als onvoorziene hindernis kunnen beschouwd worden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een dier dat weliswaar plots, maar toch op een voldoende grote afstand opduikt, zodat de bestuurder nog over een aantal reactiemogelijkheden beschikt. Hij kan bijvoorbeeld het dier vermijden door hevig te remmen of uit te wijken. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een groot dier, zeg maar een koe of een paard, waarmee hij de aanrijding kan vermijden door hevig te remmen en als hij geen andere uitwijkmogelijkheden meer heeft, dan is het nogal duidelijk dat zijn hevig remmen verantwoord is om veiligheidsredenen. De aanrijding met een achterligger zal ongetwijfeld ten laste gelegd worden van degene die hem langs achter heeft aangereden.

Indien het gaat om een klein dier, dat niet zonder gevaar voor de bestuurder zelf of voor anderen kan vermeden worden door een uitwijkmaneuver, dan wordt nogal eens geoordeeld dat de normaal handige bestuurder ook in staat moet blijven zijn voertuig onder controle te houden wanneer hij dat klein dier aanrijdt. Hoewel de bestuurder de dieren moet vermijden als hij daartoe de mogelijkheid heeft, d.w.z. wanneer ze voor hem voorzienbaar zijn en het vermijden ervan geen zware gevolgen kan hebben voor hemzelf of voor andere weggebruikers, dan is het duidelijk dat het doden of het verwonden van dat dier sociaal en menselijk gesproken niet opweegt tegen het gevaar van een aanrijding met een tegenligger of een achterkomend voertuig, waarbij personen kunnen gewond of gedood worden. In deze omstandigheden werd het plots en hevig remmen van de bestuurder, zowel als een plots uitwijken, reeds meermaals als een verkeerde daad beschouwd die de verantwoordelijkheid voor gevolg heeft, indien door die daad aan anderen schade wordt toegebracht. Nochtans willen wij nogmaals beklemtonen dat de bestuurder die, zonder gevaar voor zichzelf of voor derden, een dier kan vermijden, het niet mag overrijden. 

Rechtspraak

Wie zal nu verantwoordelijk zijn wanneer, door hevig remmen, een ander bestuurder het voertuig achteraan ramt? Het is hier dat de rechtspraak verdeeld is. Volgens de algemene en oudere rechtspraak is de aansprakelijkheid van de bestuurder betrokken, indien hij plots remt voor een klein dier, bijvoorbeeld voor een kleine hond of een kat. Het plots en hevig remmen bij dergelijke verkeersongevallen wordt als niet gerechtvaardigd beschouwd en maakt een fout uit in hoofde van de bestuurder. Artikel 10.2 van de wegcode bepaalt namelijk dat geen enkele bestuurder de normale gang van de andere bestuurders mag hinderen ondermeer door plots te remmen wanneer dit niet om veiligheidsredenen vereist is. Zo oordeelde de rechtbank van Gent dat een bestuurder, speciaal bij druk verkeer, wanneer een klein dier de rijbaan oversteekt en geen hindernis uitmaakt voor het besturen van het voertuig, over voldoende koelbloedigheid moet beschikken om zijn weg te vervolgen zonder mensenlevens in gevaar te brengen door een onverantwoord uitwijkingsmaneuver. Wanneer hij naar links van de baan zwenkt om een kleine hond te ontwijken en aldus een ongeval veroorzaakt, is hij hiervoor verantwoordelijk.

In enkele recente uitspraken van de rechtbank van Brussel (o.a. Rechtbank eerste aanleg 13.10.1993 en Hof van Beroep 29.10.1992) wordt een autobestuurder die hevig remde om een dier te vermijden, wat ook de grootte ervan is, dat plots de rijbaan opduikt, geen fout verweten. Het plots remmen van de bestuurder kan volgens de rechtbank worden gerechtvaardigd door de bekommernis van de bestuurder het leven van het kleine dier te vrijwaren of het koetswerk van zijn voertuig. In een ander gelijkaardig verkeersongeval werd geoordeeld dat een bestuurder die hevig remde voor een kleine hond die plots de rijbaan opdook, geen fout kon worden verweten omdat hij handelde volgens een instinctieve reflex waardoor hij niet de tijd had te kiezen tussen koudweg te hond te vermorzelen en te pogen deze te vermijden. Deze laatste uitspraken druisen natuurlijk volledig in tegen de heersende rechtspraak en dienen dan ook met alle omzichtigheid te worden geïnterpreteerd. Zo werd geoordeeld dat de bestuurder die instinctief remt voor een op de weg lopende fazant zonder zich te bekommeren om het achterliggend verkeer, een inbreuk begaat op het verkeersreglement door plots te remmen daar waar het niet noodzakelijk bleek te zijn om veiligheidsredenen (Vredegerecht Eeklo, 19 september 1985). Er werd ook reeds geoordeeld dat vee dat de rijbaan oversteekt, een loslopende koe die door een hond achtervolgd wordt en door de bestuurder tijdig kan opgemerkt worden, evenals langs de weg lopende koeien die plots de weg opkomen, niet als onvoorziene hindernissen kunnen beschouwd worden. Het zijn omstandigheden waaraan de bestuurder zijn snelheid moet aanpassen. Het plots en hevig remmen voor een groter dier dat bovendien een onvoorziene hindernis is, brengt de aansprakelijkheid van de bestuurder natuurlijk niet in het gedrang. In dergelijke gevallen kan de aansprakelijkheid van de achteropkomende bestuurder worden weerhouden. Overigens kan de aansprakelijkheid van de eigenaar of de bewaker van het dier ook betrokken zijn. Het artikel 1385 van het burgerlijk wetboek bepaalt namelijk dat de bewaker aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door het dier onder zijn hoede. De bewaarder kan slechts aan zijn aansprakelijkheid ontsnappen als hij aantoont dat het ongeval te wijten is aan toeval of overmacht, ofwel aan de schuld van het slachtoffer zelf. 

Op de vlucht


In 4 à 5 procent van de gevallen vlucht iemand die bij een ongeval betrokken is. Hij onttrekt zich aan de nodige vaststellingen in verband met zijn persoon, zijn voertuig en de omstandigheden waarin het ongeval gebeurde. Hij pleegt vluchtmisdrijf... Vluchtmisdrijf is, vooral na zware ongevallen, duidelijk een mannenmisdrijf. Mannen van elke leeftijd en sociale klasse. Dat heeft wat te maken met het feit dat nogal wat vluchtmisdrijven tijdens het weekeinde en vooral de weekeindnachten gepleegd worden door geïntoxiceerde of dronken bestuurders. Er moet eerlijkheidshalve ook op gewezen worden dat vrouwen veel meer dan mannen op de vlucht gaan na kleine blutsongevalletjes waarin zij, bijvoorbeeld op het parkeerterrein van een warenhuis, betrokken zijn.

Moet men na de aanrijding van een dier ter plaatse blijven voor de nodige vaststellingen? Moet men dergelijk ongeval aangeven bij de politie of rijkswacht indien ter plaatse geen vaststellingen kunnen gebeuren? Pleegt men vluchtmisdrijf wanneer men na de aanrijding van een dier gewoon zijn weg verderzet zonder zich om het dier te bekommeren?

Bij de aanrijding van dieren die aan niemand toebehoren, zoals wild (konijnen, hazen, fazanten...) is er geen schade aan derden berokkend. Er is immers geen eigenaar. Er kan zonder schade aan derden geen sprake zijn van dienstige vaststellingen waaruit de aansprakelijkheid voor het ongeval zou kunnen vastgesteld worden of m.a.w. de aanwijzing van degene die de schadelijder moet vergoeden. Anderzijds heeft het wild per definitie ook geen eigenaar of bewaker tot wie de automobilist, die door de aanrijding met het wild schade heeft geleden, zich zou kunnen wenden. Ook het Motorwaarborgfonds vergoedt de schade niet die het gevolg is van de aanrijding met wild. Er zijn wel wetsvoorstellen geformuleerd om het lichamelijk letsel, opgelopen bij aanrijding met wild, te laten vergoeden, hetzij door het Motorwaarborgfonds, hetzij door een speciaal fonds dat zou gespijsd worden door de houders van een jachtvergunning. Geen enkel van deze voorstellen is tot nu toe wet geworden. Wie over geen eigen schadeverzekering, noch over een verzekering voor lichamelijke ongevallen beschikt, zal dus zelf moeten opdraaien voor de schade die door het wild aan zijn voertuig werd veroorzaakt. Bij verwondingen van inzittenden en de bestuurder zelf kan na een aanrijding met wild het Gemeenschappelijk Waarborgfonds verplicht zijn deze schade te vergoeden indien blijkt en door de rechtbank aanvaard wordt dat het wild voor de bestuurder een "toevallig feit" uitmaakt waardoor hij voor dit ongeval niet aansprakelijk is. Er moet ook op gewezen worden dat tijdens de sluiting van de jacht het vervoer van wild verboden is. In deze periodes moet het door aanrijding gedood wild overgemaakt worden aan het gemeentelijk O.C.M.W., hetzij rechtstreeks, hetzij via politie of rijkswacht. Buiten deze periodes wordt degene die een aan niemand toebehorend dier in bezit neemt er ook de wettige eigenaar van.

Wie een dier dat aan een ander toebehoort bij een aanrijding doodt of verwondt, heeft stoffelijke schade toegebracht aan de eigenaar van het dier. Er is dus een ongeval met stoffelijke schade gebeurd. De betrokkene is gehouden ter plaatse te blijven om samen met de andere partij - de eigenaar of de bewaker van het dier - over te gaan tot de nodige vaststellingen. Indien de eigenaar van het dier niet ter plaatse is of niet kan gevonden worden, moet zo spoedig mogelijk aangifte gedaan worden van het ongeval op het dichtstbijgelegen politie- of rijkswachtbureau, ofwel dat van de woonplaats ofwel dat van de verblijfplaats. Wie zich niet aan deze regels houdt, pleegt vluchtmisdrijf. Dieren die aangereden werden, zullen voor de automobilist vaak onvoorziene hindernissen zijn geweest. De aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade ligt in dat geval bij de eigenaar of de bewaker van het dier. Bij aanrijding van katten, honden, kippen en andere kleine huisdieren zal de eigenaar of bewaker van het dier niet altijd zo gemakkelijk te vinden zijn. Indien de bestuurder geen schade aan zijn voertuig heeft geleden, is hij er ook niet zo erg op gebrand om de eigenaar van het dier op te sporen en over te gaan tot de vaststellingen. De eigenaar zelf vreest zijn aansprakelijkheid en blijft dus ook liever onbekend. Hoewel er dan door de automobilist theoretisch een vluchtmisdrijf wordt gepleegd, blijft dit gebeuren zonder verdere gevolgen. Totaal anders liggen de zaken natuurlijk wanneer een paard, een koe of een schaap wordt aangereden. De eigenaar van het dier is gemakkelijker te identificeren. De schade aan het voertuig en het dier is ook veel belangrijker. Alle voorschriften met betrekking tot de ongevalsvaststelling zijn hier dan ook voor honderd procent toepasselijk.

Stippen we tenslotte ook nog aan dat het veroorzaken van de dood of zware verwondingen van aan een ander toebehorende dieren of vee, door de snelheid, het slecht besturen of het overmatig laden van voertuigen, op zichzelf een overtreding is die door ons Strafwetboek bestraft wordt. 

Naar commentaar, verschenen in Gazet van Antwerpen en de bulletins van Politie-Dierenbescherming en Touring-Wegenhulp, mede gebaseerd op de deskundige visie van Romain Poté, afgevaardigd beheerder VTN-VAB